Maria

                                                 

Maria de Sweert, 1588-1655, was op haar dertigste al weduwe van Jan II Moretus. Ze kiest bewust voor haar gezin, maar laat de drukkerij Plantin-Moretus niet helemaal los. In haar huishoudjournaal noteert ze o.a. recepten, bijvoorbeeld voor amandeltaart, wafels, kweeperengelei en opgelegde komkomers.

Portret: Jacob van Reesbroeck 

---

De ochtend is bewolkt. 
Het licht valt gefilterd door het oneffen glas-in-lood de kamer in. 
Ik sta aan het raam, heb net de binnenluiken geopend. 
Maar mijn ogen zijn gesloten. 
De geluiden van het binnenhof komen ietwat getemperd binnen. 
Klepperende klompen op de keien, 
een ratelende kar met een nieuwe levering papier die tot stilstand komt. 
De voorman roept iets naar een loopjongen, 
een hond die blaft. 
Intussen kraakt het plafond boven mij van de dienstmeisjes die bezig zijn in de daar gelegen ruimtes. 
Iemand geeft aanwijzingen, meubels schuiven over de vloer, er wordt wat gelachen. 
Dat geluid opent mijn ogen. 
Genoeg getalmd, er moet gewerkt worden! 
Ik draai me van het raam weg naar de ruimte waarin ik me bevind. 
Statige portretten, schilderijen en andere kunstobjecten omringen me. 

De kaars op tafel flakkert een beetje in de tocht die door de kamers suist. 
Het vuur in de haard gloeit roodgrijs op, 
knispert zacht. 
Iets ploft in de as, 
mijn blik gaat naar daar, 
naar het uitdovende vuur, 
de rijkelijk versierde schouw, 
verder naar boven naar de zware balken aan het plafond.

Ik zet me aan tafel en trek snel mijn notitieboek naar me toe. 
Ik dop de pen in de inktpot en noteer: 1649… verschijnt er in kleine statige letters. 
Een schelle pijn vlamt op in mijn schouder, schiet door naar mijn pols. 
Ik leg de pen met een klap terug op de tafel neer. 
Deze aanval doet zeer!
Ik wrijf over mijn gewrichten.  
‘Dat kruidencompres heeft dus niets uitgehaald,’ zucht ik. 
Terwijl er nog zoveel te noteren, 
zoveel te doen, 
zoveel te regelen is.

Van hieruit, dit hart, dit centrale punt heb ik zicht op heel het pand, de werkplaatsen, de verschillende verdiepingen, de bedrijvigheid, de herrie, het huis. 
Mijn geestesoog draait energiek als een passer rond.
Ik weet wat er overal gaande is.
Ik heb het in de hand. 
Ik ben de kapitein van het schip. 
Ik stuur het aan. 

Een handelaar staat aan de poort. 
En ook: mijn Jan komt vandaag terug van het klooster. Is zijn kamer klaar? 
Lood, tin en antimoon wordt sissend omgevormd naar nieuwe letters. Niets gaat hier verloren. 
En ook: werd de amandelspijs bij de pastijbakker gehaald?
De letterzetters, ze staan geconcentreerd, gebogen over de bakken en platen.
En ook: heb ik mijn oudste zoon al opdracht gegeven de werkmannen uit te betalen?
De drukkers voeren per twee een soort dans uit aan de persen. 
Er wordt overlegd, aan het wiel gedraaid. 
Razendsnel gaat het. 
Alweer is een nieuwe prent klaar.
Het volgende papier wordt op de plaat gelegd. 
En ook: moet er nog kant worden opgehaald? 
In de boekhandel wordt een koop afgesloten. 
Munten worden uit een beurs gehaald, 
ze wisselen van eigenaar. 
Er is weer geld verdiend. 
Ik houd het bij in het mijn boek. 
Bij mij staat alles op punt. 

Maar het vele werk geeft me soms de draaiingen.
De zaken tollen door mijn hoofd.
Werk en leven vloeien door elkaar.
Het houdt nooit op.
En ik ben niet meer van de jongsten.
Ik weet intussen wel wat helpt.

Vanuit de keuken zweeft een geur naar buiten, warm, zoet, geruststellend.

Amandeltaart, volgens mijn aanwijzingen gebakken.
De geur slingert zich een weg over de binnenplaats, langs paardendrek, papier dat hangt te drogen, en het vochtige hout van een ton met regenwater. 

Ik roep om een stuk. Het wordt me gebracht.

Het dienstmeisje knikt, trekt zich terug.
Ik blijf alleen met de nog warme koek.

Ik val ermee samen.

De zoete amandelspijs, de kruimelige bodem, ze proeven naar vroeger.
Naar thuis. Naar mijn overleden man. De kinderen. De kleinkinderen.
Alles valt in stukjes uiteen in mijn mond.
De tijd staat stil.
Een eiland van rust.

Ik staar dromerig naar het tinnen bord waar nog wat kruimels op liggen.

Mijn blik glijdt verder, over de nerven van het gladde, donkere hout van de tafel.
Dan richt ik me naar buiten.
Een duif zit op de rand van het leien dak.
Ze blijft een ogenblik roerloos zitten.
Dan spreidt ze de vleugels, geruisloos eerst, daarna klapperend en stijgt op.

Ik volg haar vlucht.

De zon breekt door de wolken.
Een straal valt op de vloer.

De huismeid komt binnen, legt een blok hout op het vuur.

De vlammen grijpen er gretig naar.
Gensters schieten omhoog, verdwijnen door de schoorsteen.
Ik voel de suiker van de amandeltaart in mijn lichaam.
Warmte trekt van mijn borst naar mijn handen.
De kracht is er, langzaam herwonnen.

‘Neem het bord maar terug mee naar de keuken,’ zeg ik.
‘En stuur mijn oudste zoon. Ik heb hem wat te vertellen.’




Karen


Ze doolt al uren door de stad, maar nu stapt Karen vastberaden in de richting van de brug. Fietsers rijden haar schril rinkelend voorbij, een pizzakoerier kan haar nog net ontwijken, als ze zonder omzien de straat oversteekt. Ze heeft geen oog voor de opgestoken middelvinger en het gevloek hoort ze ook niet. Of wil ze het niet horen? Haastig stapt ze door, het miezert op haar muts en opgetrokken schouders en haar rug voelt klam aan. Er hangt een druppel regen aan het puntje van haar neus, als een onuitgesproken gedachte. 

In het midden van de brug houdt ze halt, en haalt de steen uit haar jaszak. Warm. Glad. De vorm van de groene aventurijn is haar bekend. Ze heeft er vaak mee gespeeld tijdens het wachten op de arts of meegedragen in haar beha op dagen dat ze wat extra moed kon gebruiken. Elsie had hem haar enkele jaren geleden gegeven, nadat ze had verteld van haar kinderwens en om het traject aan te gaan zonder partner. “Hier, deze zag ik liggen en ik moest aan je denken. Ik weet dat je er niet zo in gelooft, maar neem toch maar. Het zal je goed doen en ik wens je alle geluk van de wereld toe!” Karen had Elsie meewarig aangekeken en de steen aangenomen. Eerst lag die nog op de kast, maar onder het mom van ‘Baat het nietdan schaadt het niet’ nam ze hem met zich mee. 
Van in haar tas, naar haar jaszak. 
Van in haar hand, naar haar beha.

Tot vandaag. 
Vandaag is de hoop bezweken. 
De arts sprak de woorden uit die ze altijd vreesde maar nooit volledig had toegelaten.
Niet mogelijk.
Nooit.

Karen staart naar het zachtgroene klompje in haar hand, vertrekt haar mond en smijt de steen krachtig de donkere gracht in. Een eend vliegt verschrikt op als het water omhoog spat en er kringen verschijnen. Niet alleen van de steen, maar ook van de regendruppels die intussen groter en harder naar beneden vallen. De regen mengt zich met de tranen op Karens gezicht. 
Ze steunt op de leuning van de brug en laat het allemaal toe. 
De stomme steen. 
De vermoeidheid van de jaren.  
De stress. 
De pijn. 
De zorgen. 
De teleurstelling. 
De stille hoop. 
Maar ook het zwijgen in haar lichaam.
Alles wat ze wilde.
Alles wat niet mocht zijn.
Ze snuift en veegt met een zakdoek het snot van haar neus en bovenlip af. Ze ademt diep in en uit. Dan nog een keer. Kijkt over het water. Dan naar haar schoenen. 
Tijd om naar huis te gaan. 
Karen knikt, alsof ze zichzelf toestemming geeft en draait zich om. 
Ze stapt weg van de brug.
De regen is niet gestopt. Maar zij wel.
Voor nu.